HOME
Geschiedenis

Ter gelegenheid van het 125- jarig bestaan van onze Harmonie verscheen er onlangs een jubileumboek, met o.a. een stukje geschiedenis van Concordia.
Vijftien jaar terug, in 1993 schreef wijlen Theo Vandebosch een boekje over het wel en wee van "zijn" Concordia, ter gelegenheid van zijn 60- jarig muzikantschap.
Vijf jaar na het schrijven van zijn boekje over Concordia werd Theo opnieuw gehuldigd, deze keer voor zijn 65- jarig muzikantschap.
Als eerbetoon aan Theo geven wij jullie het boekje integraal weer.







Site Meter
Voorwoord van de voorzitter

Zestig jaar muzikant.  Het is een heel mensenleven vol muziek.  Ook daarin zullen er waarschijnlijk ups en down geweest zijn.  Wie zou het anders verwachten?
Maar toch.  Het is slechts enkelen gegund om iets dergelijks te mogen meemaken.  In 1991 heeft ook ons lid Lambert Ponsen een dergelijk groot jubileum mogen meemaken.  Maar dit zijn uitzonderingen, waarvoor wij alleen maar bewondering hebben.
Theo Vandebosch heeft ter gelegenheid van zijn jubileum vandaag iets bijzonders gedaan.  Hij heeft een paar van zijn belevenissen met Concordia op papier gezet.  
Voor ons zijn deze aantekeningen van onschatbare waarde.  Zij betekenen immers een bijdrage tot de geschiedenis van de Koninklijke Harmonie Concordia Maaseik.
Herinneringen die anders zouden verdwijnen.
In naam van alle leden van Concordia feliciteer ik Theo met zijn zestigjarig jubileum.  Vandaag zetten we hem daarvoor in de bloemetjes.  Namens het Muziekverbond van België geven wij hem één van de hoogste onderscheidingen in de muziekwereld, het Gouden Ereteken met de Palmen.
Maar we bieden hem ook deze uitgave aan, die de voorbije jaren van de harmonie levendig houdt voor ons, maar ook voor alle muzikanten die in de toekomst Concordia zullen vormen.
Wij wensen Theo Vandebosch nog veel muziek toe binnen de kring van "zijn" harmonie.
Maaseik, 22 oktober 1993.

Namens alle leden van harmonie Concordia,
Henri Verlaak
voorzitter


Prille begin van een muzikale carrière

Ik was slechts elf jaar oud toen ik in 1933 mijn eerste stappen zette in het moeilijke domein van de muziek.  Zo ver als ik me kan herinneren, was het beheersen van de klarinet mijn grote droom.  Al vlug werd echter duidelijk dat dit geen gemakkelijk te hanteren instrument is.  In het begin klonken mijn oefeningen dan ook zo erg, dat zelfs moeder zich afvroeg of dat "gefiep" wel ooit in muziek zou veranderen.
Maar gelukkig stam ik uit een muzikale familie.  Mijn broer Leon bespeelde al een tijd de klarinet en broer Mathieu de trombone.  En die muzikale microbe zat ook mij in het bloed.  Overdag moest ik naar school bij de Fraters in de Bleumerstraat.  Maar van zodra ik terug thuis kwam, nam ik de klarinet in de hand en begon ik te oefenen.  Dag in dag uit maar repeteren.  En langzaam aan veranderde het "gefiep" een beetje in muziek.
Ik had dus helemaal geen reden tot klagen want ik vorderde tamelijk goed.  Zo goed zelfs dat mijn broer Mathieu ervan overtuigd geraakte, dat ik ooit wel eens muziek zou kunnen maken.  En opdat dàt iets vlugger zou gebeuren, hielp hij mij bij mijn studies in het muziekleerboekje.  Want daar had ik het toch wel moeilijk mee.  Maar Mathieu had iets bedacht om mij te steunen.  Wanneer ik het lesje goed speelde, dan kreeg ik van hem een kwartje.  Stel u voor, 25 centiemen.  Dat betekende voor mij in die tijd een heel fortuin.
En uiteindelijk was het dan zo ver.  Ik mocht met broer Leon naar de les bij "Blènje Fons".  Deze typische Maaseiker figuur woonde toen in de Eikerstraat, bij slager Joosten.  Hij leefde alleen maar voor de muziek.  De meeste Maaseikenaren kennen hem als dè organist van het grote orgel in de St. Catharinakerk, de "grote kerk" van Maaseik.
Ook bij Fons moest ik de hele tijd maar leren en oefenen.  En hij begeleidde alles op de piano, die in de grote kamer stond.  Hoe dat toen allemaal precies ging, ben ik vergeten.  Ik weet nog dat we in het "solfègeboekje" de partituur van Blènje Fons volgden.  De geringste fout, de kleinste verkeerde noot.... en de ganse les moest herhaald worden.  Wat me bij gebleven is, is dat wij hem als snotapen ieder jaar met Sinterklaas een grote speculatieman meenamen.
Les kreeg ik ook van Lei Tissens.  Ik was toen al iets ouder en kon samenspelen met zes of zeven leerlingen van Lei.  We kwamen samen bij Bèr Krawinkels boven het café naast het stadhuis op de markt.
En ook daar maakten we het één en het ander mee.  Op een dag werkte Bèr afzonderlijk met een leerling.  Het wilde echter maar niet vlotten en Bèr werd hoe langer hoe kwader.  Op een bepaald moment barstte de bom en riep hij uit: "Weet ge wat ge zijt?  Een muzikant van m'n kont!!!"
Wij andere jongens schoten natuurlijk in een lach.

Leon en ik volgden eveneens les bij Jaak Kraewinkels.
In die tijd was er helemaal geen sprake van een muziekschool en zeker niet van een muziekacademie, zoals we er nu in Maaseik een hebben.  Daarom ging iemand die muziek wilde leren spelen eenvoudigweg bij de één of andere goede muzikant aankloppen om les van hem te krijgen.  Ook Jaak was zo'n "goeie muzikant", die zijn kunnen aan anderen wilde doorgeven.










Eindelijk met de harmonie mee!

Na al die lessen en na al dat gerepeteer kon ik eindelijk met de groep, met de harmonie de straat op.  In het begin kwam er op straat natuurlijk niet veel muziek uit m'n instrument.  Want op straat spelen of zittend spelen is nog een groot verschil.  Maar al doende leert men, zegt het spreekwoord.  En na een tijd kon ik de marsen toch al een beetje meevolgen.
Eén van de jaarlijkse hoogtepunten voor de harmonie was de processie met grote kermis.  Dat was een fantastische gebeurtenis.  De volledige harmonie trok uit en zelfs Blènje Fons stapte mee op met zijn tuba.  Geleid door een jongen liep hij de ganse stoet mee in de rij.  Ieder jaar weer lokte de processie enorm veel volk naar Maaseik.  En geen enkele vereniging liet het zich nemen om aan deze stoet deel te nemen.
Maar ook bij bijvoorbeeld priesterwijdingen zagen de straten zwart van het volk.  Het feestcomité van de straat waaruit de priester afkomstig was, liep er fijn uitgedost en op zijn paasbest bij.  De buis op het hoofd, de "pittelèr" of zwaluwstaart aan en de witte handschoenen aan.  De hele buurt werd met bloemen versierd... en de harmonie moest er natuurlijk bij zijn want anders was de stoet maar half zoveel waard.
Hetzelfde gold voor de Gouden Bruiloften of het geven van een concert ter gelegenheid van de kleine kermis in de Eikerstraat of van de kermis aan de "Statie".  Voor onze groep stond er dan speciaal een kiosk opgesteld, waarop wij ons concert ten beste gaven.  En wat kon het ons schelen dat die kiosk slechts bestond uit enkele lege tonnen met daarop wat planken.  Voor ons was het een concert en we waren er fier op.
Bijzondere herinneringen heb ik ook aan het inhalen van Fernand Stiels.  Op zijn nieuwe burgemeesterssjerp moest natuurlijk geklonken worden.  Er werd een groot feest georganiseerd waarbij Jean Vancleef, de koster, de glaasjes steeds maar weer vol wijn schonk.
Minder aangename optredens waren de begrafenissen.  Ik heb nog meegedaan aan de begrafenis van onze toenmalige voorzitter Jaak Peeters.  Wij kleinen kregen van het bestuur een briefje mee, dat we aan frater-directeur moesten afgeven.  Voor deze speciale gelegenheid mochten we uit die strenge fratersschool aan de Bleumerstraat wegblijven.
Vroeger was het contact tussen bestuur en muzikanten anders dan vandaag de dag.  Er was een grotere afstand.  De voorzitter was meestal iemand die buiten de harmonie stond.  Iemand uit de groep van de zogenaamde prominenten in de stad.
Ook de opvolger van Jaak Peeters kwam uit die groep: Henri Vanderdonck.
Tijdens de wekelijkse repetitie op zaterdag was er nooit iemand van het bestuur aanwezig.  Slechts wanneer er één of andere activiteit voor de deur stond, kwam de voorzitter even iets vertellen.  Zo ging dat vroeger.
Wanneer de Koninklijke Harmonie op uitstap was geweest, ging de ganse groep na afloop met de vlag voorop naar het huis op de hoek van de Hepperstraat en de Vullerstraat.
Daar woonde Henri Vanderdonck in het huis "In de soete naem Jesu", het pand waar tot vóór enkele jaren de bibliotheek was.  Daar werd de vlag afgegeven en ze bleef er tot de volgende uitstap.  Ook toen was het een mooie vlag met bovenop het houten beeld van Jan en Hubert Van Eyck.  Ze werd fier gedragen door Bèr Gielen.
Pas na die kleine traditie ging de harmonie terug naar het lokaal.
Het korps had in die tijd geen echt uniform, zoals nu.  Ons herkenningsteken was een groene kepie.  Ik weet nog dat me deze eerste kepie te groot was.  Met behulp van een opgerold stuk krantenpapier maakte ik hem een beetje kleiner, zodat ze tenminste niet over mijn oren zakte.
Dirigent was Mathieu Claessen, die toen in de Grote Kerkstraat woonde.  En als ik me hem voor de geest haal, dan zie ik hem altijd draaiend aan zijn enorme snor.  Hij moet er wel erg trots op zijn geweest.
Tussen 1933 en 1940 bestond het bestuur, voor zover ik nog weet, uit Brouns, Willem Segers, Krawinkels, Leo Vissers, Leien en voorzitter Henri Vanderdonck.
Inmiddels was het 1939 geworden en werd ik 17 jaar oud.  Natuurlijk maakten we plezier in de harmonie en speelden we toen al verschillende marsen ("Boute Antrai", "Demer en Jeker", processiemarsen "St. Lucie" en "St. Leon" en heel vaak "Lang zal hij leven").
Bij alle uitstappen vloeide er rijkelijk wijn.  's Anderendaags voelde ik me dan echter niet erg goed en rook ik nog altijd naar de wijn.
Muzikanten en bestuur waren toen:

Tien klarinetten: Leon Plaghki, Leon Muizers, Hub Smeets, Jaak Kraewinkel, Jean Monsieurs, Meizen, Leo Vandebosch en ikzelf, Massie en Lom Segers.
Zes pistons: Lom Godermans, Ber Dusché, Jaak Vanaanhold, Bèr Van Heeswijck, Henri Plaghki en Emile Coppens.
Drie bugels: Louis Schepers, Meulenmeester en Pier Meulenmeester.
Drie alto's: Vandeberg, Charel Vanwijck en Colla Peeters.
Twee sax alten: René Corstjens en Jef Lahaey.
Eén sax tenor: Poliet Janssen.
Twee baritons: René Broens en Miel Wouters.
Drie trombones: Mathieu Corstjens, Mathieu Vandebosch en Jef Collen.
Drie tuba's: Leon Paumen, Willem Peeters en Willem Peters.
Twee bombardons: Door Janssen, Charel Stijckers.
We waren met 35 spelende leden en twee kleine trommels: Mathieu Van Es - beter bekend als Thieuke Valk - en Bèr Metten.  Dikke trom sloeg Jaak Monsieurs.
Fonske Wetzels droeg de dikke trom op zijn rug, waarvoor hij van Jaak altijd 1 frank kreeg.  En in die tijd had je voor 1 frank nog een pint bier.
En dan brak de oorlog uit en lag de harmonie stil.


Lees verder!







                 Copyright © 2000-2011 K.H. Concordia Maaseik VZW. Alle rechten voorbehouden.
GESCHIEDENIS